Bestuurders opgelet: Hof van Cassatie grijpt in op bestuurdersniveau

Een aantal belangrijke arresten van het Hof van Cassatie verdienen even nader onder de loep te worden genomen aangezien zij aanzienlijke implicaties met zich meebrengen voor bestuurders van vennootschappen. Enerzijds verduidelijkt het Hof van Cassatie de verplichting van een bestuurder om, bij de beëindiging van zijn bestuursmandaat, zijn opdracht tijdelijk verder te zetten tot in zijn vervanging kan worden voorzien. Anderzijds bepaalt het Hof van Cassatie dat schuldeisers, in geval van een faillissement van de vennootschap, hun individuele schade in bepaalde gevallen kunnen verhalen op de bestuurders door wiens fout de schade is ontstaan.

1. Tijdelijke verderzetting bestuursmandaat tot behoud bestuur vennootschap

In twee arresten (12 mei 2014 en 27 juni 2014) stelt het Hof van Cassatie dat de verplichting voor een bestuurder, wiens mandaat beëindigd is, om zijn opdracht tijdelijk verder te zetten, niet beperkt is tot de tijd die de algemene vergadering redelijkerwijs nodig heeft om bijeen te komen teneinde in zijn vervanging te kunnen voorzien.

Dit betekent dat u als bestuurder, na een vrijwillig of gedwongen ontslag, uw mandaat in principe dient verder te zetten tot in uw effectieve vervanging is voorzien. In tegenstelling tot wat vroeger werd aangenomen, zal u als gewezen bestuurder niet langer bevrijd zijn van uw verplichtingen en aansprakelijkheid vanaf het moment waarop de algemene vergadering van de vennootschap over een meer dan redelijke termijn beschikte om in uw vervanging te voorzien, maar slechts vanaf het moment waarop u effectief vervangen bent.

Vanzelfsprekend geldt deze verplichting slechts wanneer het belang van de vennootschap dit vereist, met name om het behoud van het bestuur van de vennootschap te verzekeren. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn wanneer ten gevolge van het ontslag van een bestuurder de raad van bestuur niet langer geldig kan beraadslagen omdat zij niet langer het statutair of wettelijk vereiste minimumaantal bestuurders telt.

2. Bestuurdersaansprakelijkheid in geval van faillissement

Het Hof van Cassatie stelt in een arrest van 5 september 2013 dat een faillissement van een schuldenaar niet belet dat een schuldeiser vergoeding kan vorderen van een derde door wiens fout schade is ontstaan die alleen de schuldeiser treft. Dit arrest heeft belangrijke gevolgen voor de aansprakelijkheid van bestuurders/zaakvoerders in geval van een faillissement van hun vennootschap.

Het Hof van Cassatie oordeelt namelijk dat de fout van een bestuurder/zaakvoerder met betrekking tot het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing door de vennootschap, individuele schade kan opleveren voor de fiscus aangezien de bedrijfsvoorheffing niet kan worden geïnd bij de vennootschap. De fiscus moet bovendien niet wachten op de afsluiting van het faillissement om deze individuele schade te gaan vorderen bij de bestuurders. In het arrest wordt immers gesteld dat de omstandigheid dat het onzeker is of een schuldeiser een dividend zal ontvangen uit het faillissement, niet uitsluit dat hij jegens een derde aanspraak kan maken op de volledige vergoeding van zijn schade.

De impact van voormeld arrest blijft niet beperkt tot het niet doorstorten van de bedrijfsvoorheffing maar heeft betrekking op alle mogelijke vormen van individuele schade die schuldeisers kunnen lijden en die veroorzaakt zijn door fouten van bestuurders/zaakvoerders van de vennootschap. Bovendien lijkt het volgens het arrest te volstaan dat een schuldeiser zijn vordering tegen de bestuurders gewoon formuleert als een vordering tot vergoeding van individuele schade om schadevergoeding te verkrijgen, terwijl hij in werkelijkheid een vergoeding wenst te bekomen ter aanvulling van een eventueel dividend uit het faillissement.

Dit betekent dat u uw aansprakelijkheid als bestuurder van een failliete vennootschap niet licht mag opnemen. Door hun vordering zorgvuldig te formuleren als vergoeding voor individuele schade kunnen schuldeisers nu immers onmiddellijk volledige schadevergoeding vorderen indien een fout in hoofde van u als bestuurder/zaakvoerder kan worden aangetoond.

Auteurs
Pieter Van Aerschot
Pieter Van Aerschot
Marc D'hoore
Marc D'hoore