Oprichtersaansprakelijkheid voortaan afgewimpeld op de cijferberoeper?

In een opvallend vonnis van de Ondernemingsrechtbank Gent (afdeling Dendermonde) van 18 oktober 2021 werd een accountantskantoor dat instond voor de opmaak van het financieel plan, veroordeeld in vrijwaring, voor de helft van de oprichtersaansprakelijkheid, wegens een schending van haar adviesplicht.

De rechtbank oordeelde immers dat wanneer “de beroepsoefenaar van een cijferberoep op basis van de informatie die hij verkrijgt een financieel plan opstelt waaruit blijkt dat er financiële moeilijkheden te vrezen zijn op korte termijn, hij de plicht heeft het advies te geven om met een dergelijk financieel plan de vennootschap niet op te richten, of vooraleer deze op te richten bijkomende middelen ter externe financiering te zoeken.”

Ondernemingsrechtbank Gent, afdeling Dendermonde, 18 oktober 2021

Relevante feiten

Het betreft een klassieke casus waarbij de oprichters van een vennootschap in een manifest ontoereikend aanvangskapitaal hadden voorzien bij oprichting van de vennootschap, dit met een kortstondig bestaan van de vennootschap tot gevolg.

Reeds in het tweede boekjaar werd de vennootschap failliet verklaard. De curator stelde o.g.v. oud art. 229, 5° W. Venn. (thans art. 5:16, 2° WVV) een vordering in tegen de oprichters teneinde hen hoofdelijk aansprakelijk te stellen voor alle schulden van de gefailleerde vennootschap, i.e. bedrag van 229.358,11 euro. De ondernemingsrechtbank kende de vordering toe ten belope van 100.000 euro.

Opmerkelijk is dat één van de oprichters er in slaagde om het externe accountantskantoor, dat het financieel plan destijds had opgesteld, gedeeltelijk te laten veroordelen na het kantoor in vrijwaring te hebben geroepen, wegens de schending van haar adviesplicht.

Het accountantskantoor werd veroordeeld tot de helft in vrijwaring, zijnde een bedrag van 50.000 euro.

Wat is oprichtersaansprakelijkheid en het belang van een financieel plan?

De oprichters van een gefailleerde vennootschap met beperkte aansprakelijkheid zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de schulden van de vennootschap naar een verhouding die de rechter vaststelt, indien:

  • de vennootschap failliet gaat binnen de drie jaar na oprichting; en
  • het aanvangskapitaal kennelijk ontoereikend was voor een normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over minstens twee jaar.

 

Bij de oprichting van een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid (zijnde de BV, CV of NV) dienen de oprichters van de vennootschap verplicht een financieel plan op te stellen waarin zij verantwoorden dat de voorziene financiële middelen de levensvatbaarheid van de vennootschap kunnen verzekeren gedurende de eerste twee jaren van haar bestaan.

Het financieel plan is dan ook een belangrijk element bij de beoordeling van de rechter over de kennelijke ontoereikendheid van het aanvangsvermogen ingeval van een vordering oprichtersaansprakelijkheid.

Het financieel plan helpt de rechter om zich op het ogenblik van de oprichting van de vennootschap te plaatsen, en niet in de valstrik van de a posteriori-beoordeling te trappen. Het financieel plan is dus in eerste instantie een verdedigingsmiddel voor de oprichters welke moet voorkomen dat post factum redeneringen na faillissement de bovenhand zouden halen.

Onder het oude W.Venn. was zowel de vorm als de inhoud van het financieel plan volledig vrij. In het nieuwe WVV wordt wel op een uitdrukkelijke en veralgemeende wijze de minimuminhoud van het financieel plan voorgeschreven (art. 5:4, § 2 WVV).

In onderhavige zaak lag een uitgebreid financieel plan voor, opgesteld met de hulp van een extern accountantskantoor. De prognoses van het financieel plan waren echter uiterst alarmerend. Zo was de liquiditeitsratio (de verhouding tussen de vorderingen op korte termijn en de schulden op korte termijn) volgens het plan van meet af aan slecht, nl. 0,48 (doorgaans wordt een minimum liquiditeitsratio rond de 1 gesitueerd). Het verbeterde niet in de prognoses voor het tweede en het derde jaar. Het plan voorspelde dus reeds de liquiditeitsmoeilijkheden vanaf het eerste jaar.

De ondernemingsrechtbank besloot dat het financieel plan op zich reeds voldoende bewijs vormde voor een kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen, terwijl het eigenlijk juist een instrument zou moeten zijn om het tegendeel te bewijzen. De oprichters van de vennootschap werden dan ook veroordeeld in hun oprichtersaansprakelijkheid, ten belope van 100.000 euro.

De adviesverplichting van de cijferberoeper?

De oprichters van de vennootschap hadden een vordering in vrijwaring gericht tegen het accountantskantoor dat destijds instond voor de opmaak van het financieel plan.

Het accountantskantoor beriep zich nog tevergeefs op haar exoneratiebeding, waarin zij zich exonereerde voor haar aansprakelijkheid voor de schade die rechtstreeks of onrechtstreeks veroorzaakt werd ten gevolge van door de oprichters bezorgde foutieve en/of onvolledige informatie. De door de oprichters bezorgde informatie was echter correct en volledig, zodat het exoneratiebeding geen uitwerking kon vinden.

De ondernemingsrechtbank oordeelde dat wanneer “de beroepsoefenaar van een cijferberoep op basis van de informatie die hij verkrijgt een financieel plan opstelt waaruit blijkt dat er financiële moeilijkheden te vrezen zijn op korte termijn, hij de plicht heeft het advies te geven om met een dergelijk financieel plan de vennootschap niet op te richten, of vooraleer deze op te richten bijkomende middelen ter externe financiering te zoeken.”

Het accountantskantoor bewees niet aan voormelde adviesverplichting voldaan te hebben. Nochtans mag men van een normaal en zorgvuldige cijferberoeper, die geplaatst is in dezelfde omstandigheden, de inspanning verwachten om zijn cliënten op dergelijk vlak te adviseren en te informeren. Het accountantskantoor werd dan ook wegens een tekortkoming in haar adviesverplichting veroordeeld, in vrijwaring, tot de helft van de oprichtersaansprakelijkheid.

Conclusie

Het besproken vonnis is opvallend aangezien het de cijferberoeper een deel van de oprichtersaansprakelijkheid doet dragen bij wege van vrijwaring.

Hierdoor worden de oprichters gedeeltelijk ontheven van hun eigen aansprakelijkheid voor het kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen. De oprichtersaansprakelijkheid zou nochtans net een ontmoedigend effect moeten hebben voor oprichters om vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid met een ontoereikend aanvangsvermogen op te richten.

Het kan dan ook niet de bedoeling zijn dat oprichters voortaan een gedoemd project onder het beschermingsjasje van de vennootschap kunnen brengen en van hun oprichtersaansprakelijkheid (gedeeltelijk) worden ontheven door louter een beroep te doen op een cijferberoeper.

Niettemin, mag men van een zorgvuldige cijferberoeper in dezelfde omstandigheden wel verlangen om de oprichters van een vennootschap op gepaste wijze te informeren en te adviseren. Deze plicht geldt des te meer wanneer het overduidelijk is dat de vennootschap gedoemd is om ten onder te gaan door een ontoereikend aanvangsvermogen.

Het valt af te wachten of het besproken vonnis het eerste in een trend is, dan wel een zeldzame uitzondering zal blijven.

Bron: Orb. Gent, afdeling Dendermonde, 18 oktober 2021, TRV 2022, afl. 4, p. 327-347 – noot Floris Mertens: “Oprichtersaansprakelijkheid wegens kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen: kan de cijferberoeper als zondebok dienen?”

Hulp nodig of wenst u meer informatie? Marlex biedt u de geschikte expertise aan binnen het departement Corporate. We staan u graag deskundig bij indien u vragen heeft met betrekking tot vennootschapsrecht.

Opleidingen? Wenst u een opleiding op maat over dit thema? Neem dan zeker contact met ons op!

Auteurs
Lobke Pottie
Lobke Pottie