De rol van cijferspecialisten bij de procedure WCO

Door een wetswijziging van 27 mei 2013 werden in de Wet Continuïteit Ondernemingen (WCO) verruimde verplichtingen ingevoerd voor de cijferspecialisten. De concrete invulling van de verruimde verplichtingen voor de cijferspecialisten bij de procedure WCO bleek evenwel onduidelijk. Aan deze vraag naar verduidelijking werd tegemoet gekomen door de Interinstitutenaanbeveling.

De Interinstitutenaanbeveling kwam tot stand door een samenwerking tussen het Instituut van de Accountants en de Belastingconsulenten (IAB), het Beroepsinstituut van Erkende Boekhouders en Fiscalisten (BIBF) en het Instituut van de Bedrijfsrevisoren (IBR). De Interinstitutenaanbeveling dient de draagwijdte te verduidelijken van de opdracht van de cijferberoepen bij ondernemingen in moeilijkheden. Sinds de wetswijziging van 27 mei 2013 spelen de cijferberoepen enerzijds een rol in de preventieve fase, bij de detectie en de melding van ondernemingen in moeilijkheden, en anderzijds in de remediërende fase, met name een toezichts- en bijstandsopdracht in het kader van de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie.

In de preventieve fase kunnen de cijferberoepsbeoefenaars ten eerste in de uitvoering van hun opdracht gewichtige en overeenstemmende feiten vaststellen die de continuïteit van de onderneming in het gedrang kunnen brengen. In dat geval moeten zij de onderneming op een omstandige wijze hierover inlichten. De wetgever koos hiermee voor een onduidelijk criterium, waarvan de interpretatie door de rechtspraak steeds casuïstisch geschiedt. Het vaststellen van gewichtige en overeenstemmende feiten houdt volgens de Interinstitutenaanbeveling geen verplichting in tot een systematisch en/of georganiseerd onderzoek naar dergelijke feiten.

De aanbeveling voorziet tevens in een niet-limitatieve opsomming van mogelijke feiten die de continuïteit van de onderneming in het gedrang kunnen brengen. De beroepsbeoefenaar moet zich conform de aanbeveling baseren op zijn beroepskennis en zijn kennis van de onderneming om te beoordelen of zijn vaststelling van bepaalde feiten effectief de continuïteit van de specifieke onderneming in het gedrang kunnen brengen. De periode waarop de beoordeling van de continuïteit betrekking heeft, moet redelijk zijn, namelijk een termijn van minstens twaalf maanden.

Met betrekking tot de wijze van inlichting van de onderneming, voorziet de WCO niet expliciet in een formele schriftelijke kennisgeving. Evenwel is een formele kennisgeving aangeraden omwille van het bewijs van de inlichting. Het nalaten om de onderneming op omstandige wijze in te lichten brengt immers de aansprakelijkheid van de cijferspecialisten in het gedrang. De Interinstitutenaanbeveling bepaalt op bindende wijze de inhoud van de kennisgeving. Een loutere mededeling volstaat immers niet. Bovendien worden de cijferberoepsbeoefenaars aangeraden om de formele kennisgeving bij voorkeur te doen per aangetekend schrijven gericht aan het bestuursorgaan van de onderneming, waarbij een kopie per gewone brief individueel aan ieder lid van het bestuursorgaan kan worden gestuurd.

Indien de cijferberoepsbeoefenaar na een eerdere kennisgeving nieuwe feiten vaststelt, dan moet hij het bestuursorgaan niet opnieuw informeren indien het gelijkaardige feiten betreft. Stelt de cijferspecialist daarentegen nieuwe, zwaarwichtigere feiten vast, dan moet hij opnieuw het bestuursorgaan hierover informeren.

Ten tweede vereist de WCO in de preventieve fase een zekere opvolging door de cijferberoepen. Er moet worden nagegaan of het bestuursorgaan op een adequate wijze met de aangeleverde informatie omgaat. Indien het bestuursorgaan nalaat om de nodige maatregelen te treffen binnen de maand na de kennisgeving door de cijferberoepsbeoefenaar, dan kan men de voorzitter van de rechtbank van koophandel hierover schriftelijk inlichten, zonder schending van het beroepsgeheim. De melding aan de rechtbank betreft op zich geen verplichting. In tegenstelling tot de overige bepalingen geldt deze bepaling niet voor de externe boekhouder of voor de externe erkend boekhouder-fiscalist, maar enkel voor de externe accountant, de externe belastingconsulent en de bedrijfsrevisor.

Ten derde kan de rechter die zetelt in een kamer voor handelsonderzoek ambtshalve alle informatie verzamelen die hij nodig acht voor zijn onderzoek. In het kader daarvan is het beroepsgeheim van de cijferberoepen in principe van toepassing. De rechter kan echter inlichtingen vragen aan de cijferberoepen over de aanbevelingen die zij hebben gedaan, en in voorkomend geval ook over de maatregelen die de onderneming daarna heeft genomen om de continuïteit te waarborgen. Het geven van dergelijke inlichtingen vormt dan weer geen schending van het beroepsgeheim.

Ook in de remediërende fase werd de rol van de cijferberoepen belangrijker. De toezichts- en bijstandsopdracht in het kader van de opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie wordt door de Interinstitutenaanbeveling ingevuld als een samenstellingsopdracht. Samenstellen is het ondersteunen bij en het rapporteren over het opstellen en het presenteren van een financieel overzicht op grond van door de onderneming aangeleverde informatie. De meerwaarde van deze toezichts- en bijstandsopdrachten van de cijferberoepen wordt gevormd door de objectivering van de informatie die aangeleverd werd door het bestuursorgaan. De rechtbank van koophandel zal op deze manier de mogelijkheden tot reorganisatie en de kans dat de continuïteit van de onderneming behouden kan blijven, beter kunnen inschatten. De cijferspecialist dient hierbij niet actief de correctheid of de volledigheid van de informatie na te gaan. Een beroepsbeoefenaar die toch vaststelt dat bepaalde informatie onvolledig, inaccuraat, onredelijk of onvoldoende is, dient het bestuursorgaan evenwel te verzoeken om aanvullende of gecorrigeerde informatie.

De Interinstitutenaanbeveling werd op 27 februari 2015 aangenomen door de Raad van het BIBF en op 3 maart 2015 door de Raad van het IAB. De Raad van het IBR nam de aanbeveling aan op 27 februari 2015. Betreffende het IBR moet de aanbeveling nog goedgekeurd worden door de Hoge Raad voor de Economische Beroepen en door de Minister van Economie. De goed- of afkeuring van de Hoge Raad wordt ten laatste eind maart 2016 verwacht. Voor leden van het IBR kan de aanbeveling, hoewel zij nog niet bindend van toepassing is, reeds als leidraad bij hun werkzaamheden worden aangewend. Verwacht wordt dat de rechtbanken rekening zullen houden met de Interinstitutenaanbeveling als een vorm van soft law.

Auteurs
Marc D'hoore
Marc D'hoore
Pieter Van Aerschot
Pieter Van Aerschot